Het Vierde Rijk · Michael Parenti Hoofdstuk 2: Het imperialisme van vandaag

Het Vierde Rijk · Michael Parenti

 

Hoofdstuk 2: Het imperialisme van vandaag

In dit hoofdstuk bekijken we de belangrijkste methodes en gevolgen van het hedendaagse imperialisme, inclusief de mechanismen die de markt en de financiële sector controleren; de buitenlandse hulp; de politieke repressie en het militaire geweld. Allemaal fenomenen die bijdragen tot toenemende armoede en misontwikkeling.

Onevenwichtige markten

Een opvallend kenmerk van de derdewereldeconomie is dat zij zich concentreert op de export van enkele basisgrondstoffen of op de productie van arbeidsintensieve goederen. Omdat het hier om een typische kopersmarkt gaat, moeten de arme landen een scherpe concurrentiestrijd voeren met andere derdewereldlanden als zij de markten van de rijkere geïndustrialiseerde naties willen veroveren. Door het ene arme land tegen het andere uit te spelen kan de Eerste Wereld erg gunstige handelsmodaliteiten afdwingen. Pogingen van derdewereldlanden om die kwetsbare positie te verhelpen via handelskartels lopen meestal spaak. Politieke meningsverschillen, totale economische afhankelijkheid en het gebrek aan alternatieve markten gooien al te vaak roet in het eten. Onderlinge handelsrelaties tussen derdewereldlanden willen maar niet vlotten. De onderlinge handel tussen de Afrikaanse staten bedraagt slechts 6% van hun omzet met Europese, Noord-Amerikaanse en Japanse bedrijven.


Derdewereldlanden worden onderbetaald voor hun export en moeten regelmatig te veel betalen voor wat zij uit de geïndustrialiseerde wereld importeren. Zo moeten zij hun koffie, katoen, vlees, tin, koper en olie goedkoop ter beschikking stellen van buitenlandse vennootschappen om tegen pijnlijk hoge prijzen afgewerkte producten, machines en vervangstukken in te voeren. Volgens voormalig Venezolaanse president Carlos Andrés Perez 'leidde dit tot een voortdurende kapitaalvlucht en verarming van onze landen'.

Grondstoffen die in de VS onbeschikbaar zijn of beperkt voorradig, kunnen het land meestal taksvrij binnen terwijl op de invoer van afgewerkte producten rechten worden geïnd. Zo is de invoer van koffiebonen en boomstammen taksvrij terwijl op gebrande koffie en planken tol wordt geheven. De industriële machten verhinderen ook de transfer van technologie en financiële middelen naar bedrijven van inheemse eigenaars door met handelsembargo's te dreigen tegen derdewereldlanden die de euvele moed hebben industriële producten te ontwikkelen. Met hun superieure financiering, sterke marketing, gemonopoliseerde patenten en betere leidinggevende technieken geven de multinationale ondernemingen de lokale ondernemingen geen schijn van kans. Hoe winstgevender de investeringssector, hoe groter de kans dat de plaatselijke ondernemers de pas wordt afgesneden door buitenlandse investeerders.

Schuldbeheersing

In veel arme landen bezitten of controleren buitenlandse maatschappijen meer dan de helft van de productieactiva. En waar dat niet het geval is, beschikken de multinationals vaak over een vetorecht. Ook als het gastland de eigenaar is van een bedrijf vloeien de winsten af naar de multinationals via hun quasi-monopolie inzake technologie en internationale marketing. De olie-industrie levert daar een goed voorbeeld van. De internationale petroleumgiganten beschikken over slechts 38% van 's werelds ruwe olieproductie maar controleren zowat alle raffinaderijen en de hele distributieketen van afgewerkte producten.

Door deze nadelige handels- en investeringsrelaties zagen de derdewereldlanden zich verplicht zware leningen af te sluiten bij westerse banken en bij het Internationaal Monetair Fonds (IMF) dat onder controle staat van de VS en andere westerse lidstaten. In de jaren negentig bedroeg de schuld van de Derde Wereld al 2 biljoen dollar, een cijfer met 12 nullen, een onbetaalbare som. Hoe groter de staatsschuld, hoe groter de druk om de putten te dempen met nieuwe leningen, uiteraard aan hogere intrestvoeten en striktere afbetalingsvoorwaarden.

Een toenemend deel van de inkomsten van naties met schuldenlast gaat dan ook naar schuldaflossingen waardoor er steeds minder overblijft voor binnenlandse consumptie. De schuldenberg van sommige landen is zo groot geworden dat de intresten sneller stijgen dan wat ze kunnen afbetalen. Op die manier wordt de schuld een zichzelf voedend monster dat alsmaar meer nationale inkomsten wegvreet.
Eind jaren tachtig moest een land als Paraguay 80% van zijn exportinkomsten afstaan voor de afbetaling van zijn buitenlandse schuld. De meeste derdewereldlanden moeten tussen één en twee derde van hun exportinkomsten gebruiken voor de aflossing van hun schulden.

Om dat probleem nog te verergeren worden de nationale munten van de arme landen ondergewaardeerd. De econoom Arjun Makhijani wijst erop dat de huidige wisselkoersen tussen rijke en arme landen niet gebaseerd zijn op de relatieve productiviteit van hun arbeidskrachten en op de koopkracht op de binnenlandse markt, maar dat zij kunstmatig worden vastgelegd door de westerse financiële centra om de inkomsten van de derdewereldbewoners te onderwaarderen.

De arme landen zouden zichzelf van deze financiële slavernij kunnen verlossen door hun schulden eenzijdig te annuleren. Fidel Castro riep hen daar reeds toe op. Maar landen die een dergelijke stap zouden zetten, lopen het risico niet langer op kortlopende kredieten te kunnen rekenen om hun import te betalen. Zij lopen het risico op bevriezing van hun buitenlandse rekeningen, op inbeslagname van hun overzeese bezittingen en op het sluiten van hun exportmarkten.

Om het statuut van wanbetaler te vermijden blijven de arme landen maar lenen. Maar om in aanmerking te komen voor nieuwe leningen moet een land akkoord gaan met de structurele aanpassingen die het IMF oplegt. Het moet daarvoor de binnenlandse consumptie terugschroeven en meer exportgericht produceren om meer schulden te kunnen afbetalen. Het debetland moet de eigen bevolking straffen door te snoeien in de voedselsubsidiëring, huisvestingsprogramma's en andere reeds zwaar ondermijnde sociale diensten. Het moet de munt devalueren, de lonen bevriezen en de prijzen verhogen zodat de bevolking nog harder moet werken en minder kan consumeren. Daarnaast moet het vrijgevig zijn met belastingvoordelen voor buitenlandse bedrijven en de subsidiëring van lokale of staatsbedrijven stopzetten. De schuldaflossing van vandaag is een substantiële transfer van weelde, van het arme werkvolk uit de Derde Wereld naar de schatkamers van het internationale financieringskapitaal.

De buitenlandse hulp als wapen

De meeste VS-hulp verplicht de ontvangers VS-goederen te kopen aan VS-prijzen, getransporteerd met VS-schepen. Omdat de VS-regering hardnekkig vasthoudt aan het kapitalisme, verleent ze principieel geen steun aan staatsbedrijven in de Derde Wereld. Enkel de privé-sector kan op hulp rekenen. De meeste buitenlandse hulp bereikt overigens nooit de hulpbehoevende segmenten van de begunstigde staten. Een belangrijk deel van de hulp is uiteindelijk bedoeld als investeringssubsidie voor VS-ondernemingen, een ander stuk vindt zijn weg naar geheime rekeningen van corrupte compradore-heersers of financiert de export van marktgewassen van de agrobusiness ten nadele van de kleine boeren die voedsel produceren voor de lokale markt.

Het nettoresultaat van de buitenlandse hulp is, net als bij de meeste overzeese investeringen, dat de rijkdom zich alsmaar meer concentreert bij alsmaar minder mensen en dat de armoede van de overgrote meerderheid toeneemt. Een grote som geld kan onmogelijk op een klassenneutrale manier worden geïnjecteerd in een klassenmaatschappij. Het gaat ofwel naar de rijken ofwel naar de armen. Bijna altijd naar de rijken dus.

Hulpverlening is ook een belangrijk instrument voor politieke controle. Wanneer arme landen via echte hervormingen de wildgroei van rijkdom en macht proberen te temperen, valt de hulp plots weg. Toen de in 1970 democratisch verkozen Chileense president Allende hervormingen aankondigde ten voordele van de arbeidersklasse en hij de privileges van rijke investeerders wilde afbouwen werd alle VS-hulp meteen stopgezet... op één uitzondering na: de steun aan de Chileense krijgsmacht werd zelfs opgevoerd. Soms wordt de hulpverlening zelfs doelbewust gebruikt om de lokale productie te ondermijnen. Dat was bijvoorbeeld het geval toen Washington sorghum en diepvrieskippen dumpte op de Nicaraguaanse markt om de uitbouw van coöperatieve boerderijen en de herverdeling van landbouwgronden te hypothekeren. Bij een andere gelegenheid stuurde Washington maïs naar Somalia om de lokale productie te concurreren en de onafhankelijke dorpseconomieën te destabiliseren. Ik wil er terloops aan herinneren dat de export van de Amerikaanse agro-industrie zwaar gesubsidieerd wordt door de VS-regering.

Een sleutelinstrument voor dit soort selectieve hulp is de Wereldbank, een internationaal consortium van bankiers en economen dat miljarden dollar - hoofdzakelijk van belastingbetalers - uitgeeft om projecten te financieren die repressieve rechtse regimes steunen en bedrijfsinvesteringen te subsidiëren waar zowel de armen als het milieu onder lijden. Zo trok de Wereldbank in de jaren '80 een snelweg dwars door het noordwesten van het Braziliaanse regenwoud en nivelleerde vervolgens miljoenen hectaren bos om er goedkoop graasland van te maken voor de kuddes van rijke Braziliaanse veefokkers. Brazilië stuurde ook een aantal stedelijke armen naar de 'ontsloten' gebieden langs de snelweg om er zich te vestigen en ze verder uit te dunnen. Op tien jaar tijd was de hele regio kaalgeslagen en heersten er ziektes en armoede. Jim Hightower stelt: 'Alle bankovervallers ter wereld samen hebben niet één tiende van één procent van de schade berokkend die de Wereldbank op vijftig jaar tijd aanrichtte.'

Met weldoordacht geweld

Naast armoede en misontwikkeling is er nog die andere erfenis van de imperialistische economische overheersing: de onvoorstelbare politieke repressie en de staatsterreur. De geschiedenis van het imperialisme heeft weinig of geen vreedzame kolonisators gekend. Alleen door een verpletterende en vaak brutale militaire overmacht waren de indringers in staat het land van andere volkeren af te pakken, belastingen af te persen, hun culturen te ondermijnen, hun dorpen te vernietigen, hun ambachten en nijverheid te liquideren en ze als slaven of contractarbeiders aan het werk te zetten. De Spanjaarden deden het in Zuid- en Centraal-Amerika; de Portugezen in Angola, Mozambique en Brazilië; de Belgen in Kongo; de Duitsers in Zuid-West-Afrika; de Italianen in Libië, Ethiopië en Somalië; de Nederlanders in Oost-Indië; de Fransen in Noord-Afrika, Madagaskar en Indochina; de Britten in Ierland, Mantsjoerije en China en de Amerikanen in Noord-Amerika (tegen de inheemse bevolking), de Filipijnen, Centraal-Amerika, de Cariben en Indochina... en de lijst is verre van volledig.

Het verdelen van de wereld wordt, door wie het imperialisme wil vergoelijken, vaak afgedaan als een 'natuurlijk' verschijnsel waarbij het zou gaan om een 'internationale specialisatie van de productie'. Maar wat nu juist zo typisch is aan het imperialisme is zijn hoogst onnatuurlijke karakter, zijn voortdurend terugvallen op gewapende onderdrukking en repressie. Imperia zijn geen natuurlijke of spontane verschijnselen. Zij komen niet tot stand 'in een vlaag van verstrooidheid', zoals sommige Britten hun wereldrijk goedpraatten. Imperia worden gesmeed met bedrog, hebzucht en genadeloos geweld. Ze worden met zwaard, zweep en geweer opgebouwd. De geschiedenis van het imperialisme is de geschiedenis van de slavernij en van de afslachting van miljoenen onschuldigen; een geschiedenis die niet minder gruwelijk is omdat men er in onze meeste scholen gemakshalve over zwijgt.

Terreur blijft een van de dagdagelijkse instrumenten van de imperialistische overheersing. Dank zij de financiële en technische hulp van de Amerikaanse Central Intelligence Agency (CIA) en vergelijkbare organisaties worden militairen en veiligheidsdiensten in satellietstaten geschoold in de 'nobele kunst' van bewaking, ondervraging, marteling, intimidatie en moord. Het Noord-Amerikaanse opleidingscentrum Army School of the Americas (SOA) in Fort Benning, Georgia, staat in heel Latijns-Amerika bekend als de 'Moordenaarsschool'. De SOA maakt militaire kaders uit VS-satellietstaten vertrouwd met de allermodernste repressiemethodes. In een land als El Salvador zijn de meeste officieren die betrokken waren bij massamoorden en andere beestachtigheden, voormalige studenten van de SOA.

De compradore-onderdrukkers hebben slachtoffers ertoe verplicht martelingen van hun vrienden en familieleden, ook kinderen, bij te wonen. Zij hebben vrouwen verkracht terwijl familieleden moesten toezien. Ze verminkten geslachtsorganen met zwavelzuur of kokend water, plaatsten ratten in vagina's en in de monden van gevangenen. Ze sneden, hakten of zaagden lichaamsdelen af van weerloze slachtoffers inclusief genitaliën, ogen en tongen. Ze bliezen lucht in vrouwenborsten en in hun aderen en veroorzaakten op die manier een langzame, pijnlijke dood. Ze plantten bajonetten en golfclubs in vrouwelijke schedes of in de anus en gingen ermee door tot de slachtoffers aan hun verwondingen overleden. [1]

Landen als Nicaragua, Mozambique, Angola, Afghanistan hadden ooit een antikapitalistische, revolutionaire regering die de economische welvaart niet aan de rijke toplaag alleen gunde maar ze herverdeelde. In die landen steunde de nationale veiligheidsmachine van de VS huurlingen die het in ware uitputtingsoorlogen tegen deze regeringen opnamen. Met 'de nationale veiligheidsmachine van de VS' bedoel ik de staf van het Witte Huis, de National Security Council (NSC, Nationale Veiligheidsraad), de CIA, het Pentagon, het FBI en andere vergelijkbare instellingen voor bewaking, onderdrukking, clandestiene acties en gewelddadige tussenkomsten zowel in binnen- als buitenland.

De VS-huurlingen vernielden scholen, coöperatieve boerderijen, dispensaria, klinieken en soms hele dorpen. Vrouwen en meisjes werden verkracht, tienduizenden mensen werden verminkt, vermoord of psychologisch gekraakt. Duizenden jongens werden gekidnapt en gedwongen mee te vechten met de contrarevolutionaire strijdkrachten. Miljoenen burgers verloren hun huis, moesten vluchten en kwamen in opvangkampen terecht. Deze weldoordachte strategie van de uitputtingsoorlog eiste een enorme tol aan mensenlevens en verplichtte de revolutionaire regeringen hun sociale programma's stop te zetten.

In landen die het kapitalisme steunen (El Salvador, Guatemala...) kan de regering uiteraard op de nationale veiligheidsmachine van de VS rekenen voor de strijd tegen de lokale bevrijdingsbewegingen. De oorlog tegen het volk van El Salvador is een van de tragische voorbeelden van door de VS gesponsorde antioproeracties tegen een bevolking die opkomt voor sociale rechtvaardigheid. Salvadoraanse troepen, getraind en uitgerust door de VS, moordden in El Mozote talloze dorpen volledig uit omdat men de inwoners verdacht van sympathie voor de guerrilla. Tussen 1978 en 1994 werden zo'n 70.000 Salvadoranen vermoord, hoofdzakelijk door regeringstroepen. Naar schatting 540.000 mensen vluchtten naar het buitenland. Nog eens 250.000 verloren have en goed en leven in vluchtelingenkampen onder controle van het leger. En dat allemaal in een land met niet meer dan vier miljoen inwoners.

In het naburige Guatemala werd het aantal doden gedurende het vijfendertig jaar lange, door de CIA gesponsorde conflict in 1994 op 100.000 geschat. Daar bovenop kwamen nog eens 60.000 vermisten. Zo'n 440 dorpen die ervan verdacht werden met de guerrilla te sympathiseren, werden met de grond gelijkgemaakt; de meeste inwoners afgeslacht. Zowat één miljoen Guatemalteken ontvluchtten het land en nog eens zoveel werden binnenlandse vluchtelingen, omdat zij door de wijdvertakte verzetsbestrijding gedwongen werden huis en grond te verlaten. Tot vandaag gaan de slachtingen verder.

In Colombia vermoordden regeringstroepen duizenden mensen in een aanslepende guerrillaoorlog. Tijdens de wapenstilstand die volgde, werden meer dan duizend antikapitalistische of hervormingsgezinde politici en activisten vermoord door uiterst rechtse paramilitaire groeperingen. Onder hen twee presidentskandidaten van de Patriottische Unie en een lid van de Colombiaanse senaat, voorzitter van de Communistische Partij. Ook daar houdt het moorden niet op, al hoor je geen zweem van kritiek vanuit de VS die doorgaan met het sturen van militaire hulp.

In Indonesië vermoordden de door de VS gesteunde militairen in 1965 tussen 500.000 en een miljoen mensen. Op die manier vernietigden zij de Communistische Partij van Indonesië en al haar mogelijke sympathisanten in wat de New York Times omschreef als 'een van de meest brutale massaslachtingen uit de moderne politieke geschiedenis'. Tien jaar later vielen Indonesische militairen Oost-Timor binnen, wierpen het hervormingsgezinde regime omver en vermoordden tussen 100.000 en 200.000 mensen op een totale bevolking van 600.000. De aanval begon één dag na een bezoek van president Ford en zijn minister van Buitenlandse Zaken, Henry Kissinger, aan Indonesië. Philip Liechty, destijds een lokale CIA-functionaris, verklaarde later in de New York Times (12 augustus 1994) dat de Indonesische generaal Soeharto 'expliciet groen licht kreeg om te doen wat hij deed'. Liechty voegde eraan toe dat de VS voor de Indonesische militairen de belangrijkste leverancier waren van wapens, munitie en ravitaillering.

Vandaag weegt militaire macht nog zwaarder door dan bij de koloniale veroveringstochten en bezettingen. De VS beschikken over de krachtigste oorlogsmachine van de wereld. Het leger moest zogezegd dienen om de democratie te verdedigen tegen communistische agressie. De ware opdracht van de VS-strijdkrachten was niet Russische of Cubaanse invasies te ontraden maar te beletten dat inheemse antikapitalisten, revolutionairen of volksnationalisten aan de macht zouden komen. Dat hebben de interventies in Vietnam, Cambodja, Laos, Libanon, de Dominicaanse Republiek, Grenada en Panama afdoende bewezen.
De VS-troepen waren ook onrechtstreeks betrokken bij het sponsoren van legers, politie- en spionagediensten (inclusief doodseskaders) in landen van de Derde Wereld. Doelstelling daarbij was niet klaar te staan voor een vermeende communistische invasie maar rebelse elementen uit de eigen bevolking of in aangrenzende landen te onderdrukken en terroriseren, zoals Marokko het doet in de Westelijke Sahara en Indonesië - tot voor kort - in Oost-Timor.

Maar de VS beperken zich niet tot het financieren van opstandbestrijding en het versterken van de binnenlandse veiligheidstroepen, zij helpen ook de strijdkrachten te moderniseren en te versterken in Zuid-Korea, Turkije, Indonesië, Argentinië, Taiwan... Zij leveren straalvliegtuigen, helikopter-vliegdekschepen, tanks, pantservoertuigen, artilleriesystemen, fregatten en geleide raketten.
De planners en de uitvoerders van het imperialisme vinden extreme dwangmaatregelen noodzakelijk om de strategie van politiek-economische overheersing te kunnen doordrukken. De beruchte trawanten die zijn ingehuurd om het vuile werk te doen, worden niet als sadisten en beulen geboren. Zij worden getraind door hun CIA-adviseurs. Regeringsmartelaars in Latijns-Amerika beweren van zichzelf dat ze 'professionals' zijn wier taak het is informatie los te krijgen van subversivos zodat ze hen efficiënter kunnen bestrijden. Ook doodseskaders vermoorden niet zomaar mensen in een of andere vlaag van waanzin. Zij kiezen hun politieke doelwitten zorgvuldig uit: vakbondsleiders, protesterende studenten, progressieve priesters en al te kritische journalisten.

Uiteraard beschouwen CIA-medewerkers die deze gewelddadige programma's opzetten, zich als de verdedigers van de nobele buitenlandse belangen van de VS. Soms geven ze toe dat hun methodes weerzinwekkend zijn, maar ze voegen er dan ook meteen aan toe dat je geen ijzer kunt smeden met blote handen. Ze benadrukken dat een communistische overwinning veel erger zou zijn dan de repressieve methodes die zijzelf toepassen. Ze vergoelijken hun misdaden door hun tegenstanders voor misdadigers uit te schelden. De vechtjassen van de nationale veiligheid folteren en doden niet in het wilde weg. Hun tactiek van verdelging en repressie dient politiek-economische belangen. Het imperialisme moet staatsveiligheidssystemen creëren om de overzeese privé-belangen te vrijwaren. Soms formuleert een staat eisen namens privé-bedrijven nog voor de investeerders bereid zijn dat zélf te doen. Een eeuw geleden maakte president Woodrow Wilson dit duidelijk toen hij zei dat de regering 'deze (overzeese) handelspoorten moet openen, en wel wagenwijd. De regering moet ze openen vooraleer het in alle opzichten rendabel is ze te openen, of in alle opzichten redelijk het privé-kapitaal te vragen ze op goed geluk te openen.'

De staat moet niet alleen de overzeese investeringen van privé-bedrijven beschermen, maar het proces van kapitaalaccumulatie in zijn geheel. Dat leidt tot de systematische onderdrukking van revolutionaire en nationale bewegingen die opkomen voor een alternatief economisch systeem, gebaseerd op meer egalitaire, collectivistische principes.

Low intensity imperialisme

Uit vrees voor de eigen publieke opinie ontwikkelden de VS-imperialisten de tactiek van het low intensity conflict om dood en vernieling te zaaien in landen en tegen guerrillabewegingen die een alternatieve ontwikkelingskoers wilden varen. Deze tactiek gaat ervan uit dat guerrillabewegingen in de Derde Wereld zelden of nooit een totale militaire overwinning kunnen behalen tegen het bezettingsleger van een industriële grootmacht of tegen het leger van haar compradores. Het beste resultaat dat de guerrilla kan verhopen, is het imperialistische land door een uitputtingsoorlog de definitieve overwinning ontzeggen. Vroeg of laat zal de bevolking van het imperialistische land immers gaat protesteren tegen de kostprijs van de overzeese inspanningen. Als die protesten aanhouden, wordt de oorlog het imperialistische land politiek te duur.

De nationale bevrijdingsbeweging in Algerije kwam zelfs niet in de buurt van een militaire overwinning op de Fransen. Toch hield de strijd lang genoeg aan om de Vierde Republiek ten val te brengen en zo de onafhankelijkheid af te dwingen. De oorlogen van Portugal in Guinée-Bissau, Angola en Mozambique sleepten zo lang aan en kostten zoveel geld dat de dictatuur van Salazar ging wankelen en uiteindelijk werd omvergeworpen. In de VS leidde de aanslepende oorlog in Vietnam tot massale demonstraties, sit-ins, rellen, dienstweigering en andere radicale vormen van verzet.

Om dat soort oppositie op het thuisfront te vermijden, ontwikkelden de beleidsmakers in Washington de tactiek van het low intensity conflict, een manier van oorlogvoeren die grootscheepse, opvallende militaire acties vermijdt en het gebruik en de verliezen van VS-troepen tot een minimum beperkt. Deze tactiek is als een oorlog met volmacht. De VS sponsoren de (huurlingen)legers van het betrokken derdewereldland via militaire trainers en adviseurs, grotere vuurkracht, spionage- en communicatiesteun en veel geld. Dergelijke (huur)legers kunnen onbegrensd aan de slag blijven en toeslaan waar en wanneer het ze uitkomt. Zij kiezen daarbij voor snelle uitvallen op het platteland en terroriseren dorpen en stedelijke agglomeraties met doodseskaders. Ze vermijden elke open interventie tegen de guerrilla waardoor die weinig overwinningen kan opeisen en zelfs een slechte reputatie riskeert van zwak te staan en wild te keer te gaan. De oorlog van Reagan en vader Bush tegen Nicaragua sleepte bijna tien jaar aan. De oproerbestrijding in El Salvador duurde vijftien jaar; in de Filipijnen al vijfentwintig jaar; in Colombia meer dan vijfendertig jaar en in Guatemala ondertussen veertig jaar. Als de tactiek van het low intensity conflict eenmaal op de sporen staat, zijn er geen massaslachtingen meer, geen massale militaire acties, geen spectaculaire overwinningen of pijnlijke nederlagen, geen Diën-Biën-Foes of Tet-offensieven.

De publieke opinie in de VS wordt niet op stang gejaagd omdat er niets lijkt te gebeuren. De interventie haalt zelfs het nieuws niet. De interventionisten voeren, net als de guerrillero's, een uitputtingsoorlog, maar dan niet voor het volk maar tegen het volk. Hun doel is te tonen dat ze over eindeloos veel tijd en mogelijkheden beschikken en dat ze de guerrillatroepen niet alleen militair maar ook politiek kunnen weerstaan omdat ze niet langer moeten afrekenen met kritiek op het thuisfront. Tezelfdertijd kan de guerrilla niet overleven zonder de steun van de eigen bevolking, een bevolking die geleidelijk aan ook gefrustreerd en gedesillusioneerd raakt door de hoge menselijke kost van het conflict. De toenemende oorlogsmoeheid van de Salvadoranen vormde één van de redenen waarom het FSLN-bevrijdingsfront het risico nam vredesonderhandelingen te voeren met een onbetrouwbare Salvadoraanse regering en haar VS-sponsors.

De Guatemalteekse en Salvadoraanse guerrilla werd nooit volledig verslagen, maar ze was militair vastgepind en werd in een politiek alsmaar moeilijker situatie geduwd. Zelfs al toonde het FSLN dat het, zij het in mindere mate, nog bekwaam was een aanval te lanceren, het militaire resultaat bleef beperkt en werd maar moeizaam bereikt. Met de tactiek van het low intensity conflict verliezen de guerrillero's hun belangrijkste strategische wapen: de mogelijkheid om gedurende langere tijd grotere klappen te incasseren, met andere woorden de kracht om de vijand politiek te overleven. Nu kunnen de imperialistische strijdkrachten haast permanent op het terrein aanwezig zijn telkens wanneer dat nodig is. Daardoor is de tactiek van het low intensity conflict net zo goed een politieke als een militaire strategie.

In Nicaragua, Mozambique, Angola, Ethiopië, Afghanistan en andere landen hadden de imperialistische tussenkomsten niets te maken met oproerbestrijding tegen de guerrilla. Het ging hier telkens om een brutale, door de VS gesteunde huurlingencampagne tegen de 'zachte doelen' van een prille revolutionaire maatschappij: plattelandsklinieken, steden, coöperatieve boerderijen en een kwetsbare, slecht bewapende bevolking. De slachtoffers werden bestookt tot ze murw waren. De smeekbede om vrede kwam dan ook niet langer van de bevolking van het imperialistische land, maar van het geslachtofferde volk dat uiteindelijk de economische en politieke oekasen van de overweldigers moest slikken.

Globalisering door GATT

Tot de recente ondernemingen van politiek-economische elites behoren de Noord-Amerikaanse Vrijhandelsovereenkomst (NAFTA) en de Uruguayronde (1993) van de Algemene Overeenkomst over Toltarieven en Handel (GATT). Beide overeenkomsten proberen de soevereiniteit van de natiestaten om te buigen ten voordele van de transnationale ondernemingen. Voor het publiek worden de NAFTA en de GATT voorgesteld als een integratiepoging van de nationale economieën in een wereldwijd systeem door de afbraak van de tolmuren. Alle mensen ter wereld zouden wel varen bij die toenemende handel. Dit 'globaliseringsproces' wordt als een weldoende en natuurlijke historische ontwikkeling voorgesteld: vroeger groeiden regionale handelsrelaties uit tot nationaal niveau en vandaag is de tijd rijp voor internationale marktrelaties.

Het doel van een transnationale onderneming is werkelijk transnationaal te worden, verheven boven de macht van elke soevereine natie, maar geholpen door diezelfde soevereine naties. Meer dan tien jaar geleden beschouwde General Motors zich niet langer als een 'Amerikaans' bedrijf, maar omwille van zijn investeringen overal in de wereld als een 'wereldmaatschappij'. Alsof ze dat de Amerikanen duidelijk wilden maken, gingen zij verder met het sluiten van fabrieken in de VS en openden ze nieuwe fabrieken in het buitenland. Cyril Siewert, financieel directeur van Colgate Palmolive Company, sprak zich in de New York Times (21 mei 1989) in dezelfde zin uit: 'De VS mogen geen vanzelfsprekende rechten opeisen op onze (bedrijfs)investeringen. Geen enkele overweging zet dit land op de eerste plaats.' Jaren geleden gaf Dow Chemicals toe dat ze eraan gedacht hadden een stateloze maatschappij te worden, een zonder loyaliteit - en dus zonder verplichtingen of verantwoordelijkheden - voor welke staat dan ook. Dow overwoog zelfs de aankoop van een eiland in de Cariben om er zichzelf het recht op volledige zelfstandigheid te verlenen.

Dankzij GATT moeten de bedrijven niet langer op zoek gaan naar hun eigen koninkrijkjes op een eiland. De bedrijven worden boven de soevereine macht van alle natiestaten verheven. De GATT-akkoorden richten een Wereldhandelsorganisatie (WTO) op, een internationale associatie van meer dan 120 landen met hetzelfde wettelijke statuut als de VN. De WTO heeft het recht de milieu-, arbeids-, consumenten- en sociale wetgeving van elk land te beletten, te verwerpen of af te zwakken. Het creëert commissies van niet-verkozen handelsspecialisten die als rechters fungeren in economische zaken. Zij staan boven de nationale soevereiniteit en boven elke democratische controle en zorgen ervoor dat de belangen van de gemeenschappen ondergeschikt worden gemaakt aan die van het financiewezen.

Door geen enkele verkiezing geruggensteund en zonder bepalingen inzake belangenvermenging, kunnen deze heren financiële voordelen halen uit net dié kwesties waarover zij een oordeel moeten vellen. Zij moeten een wereld opbouwen waarin de enige regelgevers en producenten de transnationale ondernemingen zelf zijn. Zoals Kim Moody het formuleerde (Labor Notes, februari 1944): de 500 bladzijden regelgeving van de GATT vormen geen enkele belemmering voor handelspraktijken en investeringen; zij zijn uitsluitend bedoeld als hinderpalen voor regeringen. De regeringen die het verdrag ondertekenden moeten hun tolbarrières verlagen, landbouwsubsidies afbouwen, buitenlandse bedrijven over dezelfde kam scheren als binnenlandse, alle bedrijfspatenten erkennen en de regelgeving aanvaarden van een permanente bureaucratische elite: de WTO. Indien een land zou weigeren zijn wetten aan te passen aan de imperatieven van een WTO-commissie, dan kunnen er door de GATT internationale handelssancties worden uitgevaardigd die het weerspannige land markten en materialen ontzeggen. De GATT bevoordeelt de sterkste landen en de belangen van de rijken, uiteraard ten koste van de anderen.

Sommige landen hebben al geprotesteerd tegen de verplichte etikettering van voedselproducten; tegen wetten die de zee beschermen; tegen maatregelen om het brandstofverbruik en de uitstoot van auto's te minderen; tegen het verbod op asbestverwerking; tegen de importbeperkingen op producten van kinderarbeid; tegen het invoerverbod van bedreigde diersoorten; tegen het gebruik van gevaarlijke pesticiden... Zij beschouwen deze 'onrechtvaardige handelsbarrières' als overtredingen van de GATT-akkoorden. Voor bedrijven met een wereldwijde actieradius zijn lokale, regionale en nationale actievoerders een blok aan het been. Ralph Nader verklaarde in juni 1994 dat de WTO 'van plan is het inzagerecht van burgers in handelszaken te beknotten'. Het zou de bedoeling zijn de bestaande VS-regelgeving te ondermijnen door de beperkte volkscontrole te omzeilen.
Met het argument de 'intellectuele eigendomsrechten' te beschermen, staat GATT multinationals toe licenties en monopolierechten op te leggen voor inlandse en lokale landbouwproducten. Op die manier geeft GATT de bedrijven de kans zich op te dringen aan plaatselijke, zelfvoorzienende gemeenschappen en hun bestaansmiddelen te monopoliseren. Ralph Nader geeft het voorbeeld van de neemboom (Azadirachta indica Juss). Extracten van die boom bevatten natuurlijke pesticiden, geneeskrachtige en andere waardevolle bestanddelen. De boom wordt al eeuwenlang gekweekt in India, maar heeft de aandacht getrokken van verschillende farmaceutische bedrijven die ondertussen patentaanvragen hebben ingediend. De Indiase boeren zijn hierover uiteraard niet te spreken. Als de farmaceutische bedrijven eenmaal over hun WTO-patent beschikken, verkrijgen zij meteen de monopoliecontrole over de handel in neemboomproducten.

Over het algemeen bevordert GATT de massale privatiseringen van openbare bezittingen, eigendomsrechten van lokale eigenaars en productiecoöperatieven. Omdat de tolbarrières wegvallen zullen vele kleine familieboerderijen in Noord-Amerika en Europa over kop gaan net als de zelfbedruipende dorpseconomieën van zowat heel Azië en Afrika. Kim Moody schrijft: 'Boeren uit de Derde Wereld zullen met miljoenen van hun land worden verdreven zoals dat ondertussen (door NAFTA) al het geval is in Mexico.'

Aan Noord-Amerikanen en Europeanen wordt verteld dat als ze competitief willen blijven onder GATT, ze hun productiviteit moeten opdrijven en de arbeids- en productiekosten omlaag moeten. Er zal minder ruimte zijn voor sociale diensten en de arbeiders zullen moeten inleveren op hun loon na herstructureringen, dereguleringen en privatiseringen. Alleen op die manier zullen onze bedrijven het hoofd kunnen bieden aan de anonieme voortsnellende krachten. Maar er is niets anoniems aan deze krachten. GATT werd gedurende jaren minutieus gepland door toplui uit zaken- en regeringskringen, lui die doelbewust op zoek gingen naar een gedereguleerde wereldeconomie en daarbij elke vorm van democratische controle over hun zakelijke praktijken afwezen.

Nu het kapitaal alsmaar mobieler en minder controleerbaar wordt door plannen als NAFTA en GATT, vinden de mensen uit welke provincie, staat of natie dan ook het alsmaar moeilijker hun regering tot beschermende maatregelen te dwingen of tot nieuwe openbare bedrijven aan te zetten. Slechts één voorbeeld. De provincieraad van Ontario besliste een openbare ziekteverzekering te organiseren (het zogenaamde 'single-payer system'). De privé-verzekeringsinstellingen beschouwden dit project als 'oneerlijke concurrentie', legden een klacht neer en beriepen zich hiervoor op de vrijhandelsovereenkomst tussen de VS en Canada. Ontario werd teruggefloten. De inwoners van de Canadese provincie verloren het recht zich naar eigen keuze te organiseren in een alternatieve vorm van ziekteverzekering waarbij het niet om winst ging.

In de laatste decennia van de twintigste eeuw hebben conservatieve krachten in Latijns-Amerika, Azië en zelfs in Europa en Noord-Amerika er alles aan gedaan om openbare non-profit industrietakken en diensten voor een prikje door te verkopen aan privé-eigenaars die enkel op winst uit waren. Het gaat daarbij onder meer om mijnen, fabrieken, oliebronnen, banken, spoorwegen, telefoonmaatschappijen, nutsbedrijven, televisiezenders, posterijen, gezondheids- en verzekeringsdiensten.
In India, en in enkele andere landen, hebben nationalistische leiders met wisselend succes geprobeerd westerse ondernemingen buiten te houden, buitenlandse investeerders te weren van de eigen aandelenmarkten, een openbare sector op te bouwen en de binnenlandse productie van consumptiegoederen te stimuleren. De economische banden van India met de voormalige Sovjet-Unie, waren hiervoor een uitstekende basis. Maar toen de Sovjet-Unie instortte, GATT op gang kwam en er een nieuwe conservatieve regering aan de macht kwam in New Delhi, werd India opnieuw gekolonialiseerd. Begin jaren 1990 mochten vroeger uitgesloten westerse maatschappijen als Coca-Cola plots weer binnen. Westerse investeringen namen toe, industrietakken en afzetmarkten kwamen opnieuw onder buitenlandse controle, openbare bedrijven werden geprivatiseerd ondanks het protest van de werknemers die hun job verloren of hun loon- en arbeidsvoorwaarden zagen verslechten. Dat proces speelt zich ook af in de landen van Oost-Europa. Hun economieën werden ooit zwaar gesubsidieerd door de Sovjet-Unie.

De globalisering is ontworpen om het lot van de wereldeconomie over te laten aan de genade van bankiers en multinationals, en is dus een logisch verlengstuk van het imperialisme. De globalisering is de overwinning van het imperium op de republiek, de overwinning van het internationale financiewezen op de democratie.

Noot

Voor meer gedetailleerde en gedocumenteerde voorbeelden verwijs ik naar mijn boek The Sword and the Dollar; Imperialism, Revolution and the Arms Race, New York: St. Martin's Press, 1988.

 

 

Bron: http://www.epo.be/uitgeverij/boekinfo_boek.php?isbn=9789064452727

 

bestellen

prijs: € 22.50

Zie verder onder Michael Parenti